Het principe van de dieptewaarneming met de menselijke ogen is reeds bij Euclides bekend, ook in manuscripten van Leonardo Da Vinci (1484) vinden we hierover gegevens terug. Dit waren echter principes, geen praktische zaken waarop de stereografie gebaseerd is.
Rond 1833 had Charles Wheatstone een theorie ontwikkeld
omtrend het menselijke waarnemen.
Op basis van z'n theorie vervaardigde hij een optisch intrument
(stereoscoop) waarmee hij met zelfgemaakte tekeningen (stereo-paren)
ruimtelijke indrukken kon weergeven.
In 1844 kwam Sir David Brewster (uitvinder kaleidoscoop) op het idee om de stereoscoop van Wheatstone toe te passen op de fotografie. Hij maakte een nieuw type stereoscoop die uitgerust was met lenzen in plaats van met spiegels zoals bij de stereoscoop van Wheatstone het geval was. De nieuwe stereoscoop werkte op basis van refractie (lenzen) in plaats van reflectie (spiegels).
Tot de beginjaren werd stereoscopie als experimenteel beschouwd, maar door de vooruitgangen in de fotografie op technische en chemische vlakken, en door commercialisatie, steeg de populariteit van de de stereografie enorm en raakte ingeburgerd bij de grote massa.
Het standaardformaat was in de jaren '60 kaarten van zo'n 17,5 op 8,5 cm waarop twee foto's werden gemonteerd. In de jaren 18'60 werden reeds 10-duizenden stereografische opnames gemaakt.
Na de eeuwwisseling raakte stereografie langzaam in de vergetelheid. Gewone fotografie werd voor iedereen toegangkelijk, het nieuwe medium Cinema en later ook TV trok systematisch meer aandacht naar zich toe.
Tot op heden worden er nog steeds stereocamera's gemaakt, echter niet meer in zo'n grote oplage als vroeger. De laatste "bekende" stereotoestellen die in grote getale op de markt verschenen is de stereo-realist eind jaren (19) '50.

Weinigen onder ons kennen stereografie, doch de View-Master met z'n rijk assortiment aan dia-schijven, waar velen als kind ooit nog mee speelden, is één van de weinige voorbeelden van stereografiedie tegenwoordig nog veelvuldig te vinden is.